Nederlandse woorden afgeleid van...

Er zijn zeer veel Nederlandse woorden afgeleid van het oude Grieks of Latijn. Het is handig om bepaalde woorddelen te kennen, om daarmee weer de betekenis van andere woorden snel te kunnen achterhalen. Hieronder staat een lijst met voorbeelden:

  • diachroon – dia = doorheen
  • telefoon; fonoplaat; fonetisch; fonologie – foon fono = geluid
  • homoniem; homoseksueel; homogeen – homo = hetzelfde
  • otograaf; fotosynthese – foto = licht
  • ecosysteem; economie – eco = huishouden
  • antoniem; antithese – ant(i) = tegen
  • monarchie; anarchie - archie = regeren, besturen
  • prenataal; postnataal - nataal = geboorte
  • homeopathie; sympathie; empathie - pathie = ondergaan; lijden
  • ambivalent; ambigu - ambi = beide
  • polyvalent - poly = vele
  • transport; transfer - trans = over
  • vice - premier; vice – voorzitterschap - vice = plaatsvervangend
  • kinetisch; kinesiste - kine = bewegen
  • antropomorf; antropologie; misantroop - antropo = mens
  • antropomorf; morfologie; amorf - morf = vorm
  • osteoporose; osteopathie; osteologie - osteo = beenderen
  • filantroop; filosofie; homofiel - fil/fiel = beminnen (minnaar van …)
  • antithese; synthese; prothese - these = stellen (stelling)
  • apostrof; apologie; apocrief; apocalyps - apo = weg
  • populair; populatie - popu = volk (Latijnse oorsprong)
  • otofoon; otoscoop - oto = oor
  • semantiek; polysemie; semiologie - sem/semi/semie = (ken)teken, merk (zo betekenis)
  • utopie; dystopie; topografie; toponiem - topo/topie = plaats
  • synoniem; antoniem; onomastiek - oniem/onoma = naam
  • democratie; demografie; demotisch - demo = volk (Grieks oorsprong)

.