Fruitboom planten. Hoe doet u dat?

Fruitbomen dragen aan het eind van de zomer vruchten. In het voorjaar hebben ze vaak mooie bloesems, waaruit de vrucht gaat groeien. Fruitbomen op het land of in de tuin, geven net dat stukje extra waar menigeen van houdt. Ook is het lekker om zelf fruit te kunnen plukken van de bomen. In welke periode plaatst u fruitbomen en waar moet u op letten?

Fruitbomen plaatst u bij voorkeur in de herfst tot aan de lente. U kunt ze plaatsen vanaf de herfst tot in de lente. Bomen waar reeds blad aan zit hebben meer water nodig dan bomen waar nog geen blad aan zit. Boomsoorten die behoefte hebben aan veel warmte plaatst u liever in de winter, zoals de perzikenboom of abrikoos. De minimale pootafstand tussen de meeste fruitbomen is 2 tot 3 meter, maar soms ook meer.

kBcatQ

Grondsoort fruitbomen

Fruitbomen doen het meestal het beste op de volgende grondsoorten:

  • grond met leem/leemgrond
  • grond met humus/kalk/zand
  • grond met klei kleigrond

De grond moet water doorlaten en mag niet compact/hard of verstikt zijn. De wortels van een fruitboom groeien vaak wel ruim een meter door in de grond. Dit kan alleen als de grond los en gezond genoeg is. Een goed onderhouden tuin of land, is geschikt.

Boom planten

  • Maak een ruim gat, twee a driemaal maal zo ruim als de wortelkluit.
  • Maak de wortels een beetje los zodat ze de vorm van de pot niet meer aanhouden, zodat de wortels beter water op kunnen nemen. Probeer de wortels heel te laten.
  • Maak de aarde om het gat heen nat en giet ruim water in het gat.
  • Om te voorkomen dat de boom gaat rotten moet u opletten dat de ent plek boven de aarde uitsteekt.
  • Schuif de aarde aan rondom de kluit en dek de grond af met gemaaid gras.
  • Blijf ook de dagen hierna nog flink water geven.

In de zomer moet de boom vochtig staan, maar niet kletsnat. Voorkom echter een kuil rondom de voet, daarin blijft water staan en bij zware regen kan dit funest zijn. De boom verdrinkt dan. In de winter moet de boom droog staan.

Groei

Fruitbomen spreiden nogal eens hun takken uit, waardoor ze de wereld lijken te willen omhelzen. Ze hebben dus vaak ruimte nodig. Appelbomen en perenbomen kunnen bijvoorbeeld flink groeien en hebben afstand en ruimte nodig. Een meter of zes is aan te raden. Voor hoogstammen zelfs acht meter.

Bronnen: rtl, fruitbomen